
Het coalitieakkoord getuigt van een serieuze en welkome ambitie om Nederland weerbaarder te maken in een onzekere geopolitieke context. De structurele financiële verankering, de focus op innovatie en technologie, de versterking van Europese samenwerking tonen aan dat Defensie en veiligheid eindelijk de prioriteit krijgen die ze verdienen. Wel roept dit ambitieuze programma enkele vragen en suggesties voor verdere verbetering op.
1. Financiering (p.31)
“Ook zetten we in op een versimpeling van aanbestedingsprocedures en deelneming en bieden we voorfinanciering en lange termijn zekerheid, zodat ook Nederlandse en Europese defensie-startups een kans krijgen om op te schalen.”
Gaat de regering concrete barrières wegnemen die pensioenfondsen en institutionele beleggers nu beletten om in defensieprojecten te investeren?
2. Wetten en regels (P.31)
“Wij kiezen voor een krijgsmacht die afschrikt én kan doorbijten. Dat vraagt niet alleen om investeringen, maar vooral om een mentaliteitsverandering: van vredesdividend naar gevechtskracht”
De vraag om een “mentaliteitsverandering” doet tekort aan de mentaliteit van veruit de meeste militairen, burgerpersoneelsleden, bedrijven en investeerders. De mentaliteit is vrijwel overal voldoende gericht op het verkrijgen van gevechtskracht. Dit wordt echter belemmerd door het huidige stelsel van wetten en regels, die flexibiliteit, risico-nemen en fouten maken beperken, of onmogelijk maken. Om te beginnen moet de nieuwe regering daar ruimte voor gaan bieden.
3. Personeel en opleiding (P.31)
“We bouwen aan een schaalbare krijgsmacht van minimaal 122.000 mensen. We schalen het dienjaar fors op en introduceren als eerste stap een verplichte enquête voor jongeren. Als dit onvoldoende resultaat oplevert, overwegen we andere stappen, zoals de herinvoering van een selectieve opkomstplicht.”
3.1. De beperkte aandacht voor defensiepersoneel in het akkoord doet helaas geen recht aan de bijzondere positie van de militairen en de eisen die aan hen worden gesteld.
3.2. In zorgcontext worden doorlopende leerlijnen genoemd. Om het tekort aan technisch personeel aan te pakken is het noodzakelijk om vergelijkbare doorlopende leerlijnen voor defensietechnologie op te zetten. Van mbo tot universiteit.
Dit verankert het belang van Defensie ook beter in de maatschappij, dan de huidige situatie, waarin Defensietechnologie uitsluitend binnen Defensie wordt gedoceerd.
4. Strategische capaciteiten, common owned and operated, gefinancierd met Eurobonds (P.32)
“We verdiepen de Europese defensiesamenwerking. We zetten in op gezamenlijke aanschaf gebruikerspoules van strategische capaciteiten die voor individuele landen te kostbaar zijn.”
Als individuele landen deze strategische capaciteiten niet kunnen realiseren is gezamenlijke ontwikkeling en productie vereist. Zo’n vorm van multilaterale samenwerking is complex, tijdrovend en mislukt vaak.
Daarom zouden deze strategische capaciteiten gezamenlijk eigendom en gezamenlijk gebruikt moeten worden (common owned and common operated). Net als de NAVO AWACS vliegtuigen sinds 1958. Voor financiering daarvan zijn Eurobonds wel redelijk, want deze lossen een groot deel van de multilaterale complexiteit op.
5. Europese samenwerking (P.32)
“We streven ernaar 40 procent van onze defensieaankopen en productie gezamenlijk met Europese partners te doen. Ook streven we ernaar 50 procent in te kopen bij Nederlandse en Europese ondernemers (inclusief licentieproductie en onderhoud). We blijven pleiten voor het openbreken van gesloten nationale defensiemarkten in Europa.”
Het streefgetal van 50% is inconsistent met het streven naar onafhankelijkheid van aankopen van buiten de NAVO en verminderde afhankelijkheid van de niet-Europese NAVO landen. Voor consistentie moet het streefpercentage ruim hoger liggen dan 50%.
6. Vitale infrastructuur en bescherming (P.32)
“Naast de bescherming van ons eigen en bondgenootschappelijk grondgebied versterken we de bescherming van onze vitale infrastructuur op de Noordzee en de verdediging van het Caribisch deel van het Koninkrijk.” p. 32
6.1 Het akkoord benadrukt hybride dreigingen, sabotage en drone-incidenten rond vitale infrastructuur. Dat benadrukt dat ook waterinfrastructuur expliciet moet worden meegenomen in het nationale veiligheidsbeleid. Hoe verankert de regering structurele samenwerking tussen Defensie, waterschappen, Rijkswaterstaat en de veiligheidsregio’s als integraal onderdeel van nationale veiligheid?
6.2 Krijgen politie en/of defensie expliciet de bevoegdheid en middelen voor actieve interventie bij sabotage van nationale vitale infrastructuur, verdediging tegen grote aantallen drones, etc.? Of blijft het bij monitoring?
_____________________________
Den Haag, 1 februari 2026
Meer informatie over de werkgroep Politiek en Defensietechniek vindt u via deze link.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met de werkgroep via E: dv@kivi.nl Wilt u de commentaren en adviezen van de werkgroep per email ontvangen? Meld u aan via deze link.
Disclaimer: De gegeven feiten en meningen zijn gebaseerd op open bronnen en op de kennis en ervaring van werkgroep leden.
Dit is geen officieel standpunt van KIVI. De vereniging aanvaardt geen aansprakelijkheid voor hetgeen door de werkgroep of haar leden naar voren is gebracht.
Foto: JW


